viernes, 14 de marzo de 2014

GASTON BURSSENS [11.224]



Gaston Burssens

Gaston Karel Mathilde Burssens (nacido el 18 de febrero 1896, Dendermonde, BÉLGICA - fallecido 29 de enero 1965, Amberes) era un poeta expresionista belga. Estudió en Flandes en la Universidad de Gante, en la que, durante la Primera Guerra Mundial, los alemanes introdujeron clases impartidas en la lengua holandesa.

Poesía 

1918 Verzen
1919 De Yadefluit
1920 Liederen uit de stad en uit de sel
1924 Piano
1926 Enzovoort
1930 Klemmen zangvogels voor
1933 Paul van Ostaijen zoals hij estaba en es
1935 French cancan en andere
1941 De eeuw van Pericles
1943 Elegie
- Floris Jespers
1945 Fabula rasa
1946 12 niggersongs
1952 Pegasos van Troja
- Boy
1954 Ode
1956 Floris Jespers
- Paul van Ostaijen
- Het neusje van de inktvis
1958 Adieu
1961 Posthume verzen
1981 Verzameld proza
2005 Alles se mogelijk en gedicht een. Verzamelde verzen 1914-1965





Yespers

La noche no puede estar más queda
Más callada que en el toque del ángelus
Un paseo con Yespers por el campo
Es lo más callado que decirse pueda

El mar no está muy muy muy lejos
Un poco más que los confines más lejanos
Cuando lo oímos murmurar de vez en cuando
Ya ha empezado el milagro su silencio

Los campos yacen tibios en su arrullo
El estiércol nos ha envuelto en sus vahos
De las aves oímos muchos cantos
Pero murciélagos sólo vemos uno

Los sauces son aún más que mudos retorcidos
Difuminados de mutismo casi negros
Y aún más mudos que tontos los labriegos
Sentados. Sin corazón nosotros y el alma con precinto

Las praderas no yacen sino penden
De la niebla y la niebla es la que yace
Tenemos todos oh un solo afán ah tate!
Oímos un poema y ya todo se entiende

Las vacas las vacas oh las vacas
Cuando Nuestro Señor creó la vaca
Sabía ya muy bien que sus mugidos
Serían quejas que pondrían el silencio en vilo

La luna sí la lunita reza el ángelus
Quietecita como un conejo blanco
Y yo y Yespers escuchamos
El claro de luna claro

Antología de la poesía neerlandesa moderna (Ediciones Saturno, Barcelona, 1971, selecc. y trad. de Francisco Carrasquer).






Crois-tu, decía, que faire l'amour est autre chose..."

Crois-tu, decía, que faire l'amour est autre chose
qu'un éternel passe-temps de coeurs terrorisés,
si lo crees, eso te has perdido y, si no, ya ves:
pensarás conmigo que es d'effet á cause
que no está en nuestra piel sino en la sangre
sí digo no, pero es muy bueno dije
mejor que el bien del alma que ha de conquistarse
bajo la espada de Damocles según dicen
mucho más que en los libros de la vida
en que a veces se encuentran huerfanitos
tú dije estás contenta de que te haya comprendido
pero no, no dije qué va y mirabas abatida
yo sólo sé que has pulido tus cantos y facetas
en la dureza de mis entendederas

qué deliciosamente el labio inferior te mordisqueas

Antología de la poesía neerlandesa moderna (Ediciones Saturno, Barcelona, 1971, selecc. y trad. de Francisco Carrasquer).





  

ZEE

De zee hier is de zee 
Zij werd geboren in ’t jaar Onzes Heren 
Plus minus nul en nul is zij gebleven 
De Grote Nul die zij gebleven is 
Door alle eeuwen van belijdenis 
Van nul is nul en één plus één is twee 

De zee hier is de zee 
Die nul geboren is en nul gebleven 
Maar dwaas is en gedwee 
Want zij is niets van wat men heeft geschreven 
Het niets waarvan men zegt dat het oneindig is 
En niets oneindig dat niet eindig is 

Hier is de zee en zij is hier 
Alleen van water zout en wier 
Van krabben kwallen schollen en garnalen 
Maar niet van zeemeerminnen en koralen 
Misschien – maar het is niet bewezen – van sardijnen 
En zeker niet van haaien en dolfijnen 

En honden paarden koeien leeuwen en sirenen 
Jawel sirenen zegt men met één oog 
In al de kleuren van de regenboog 
En zwijnen – met rozige schubben bovendien – 
En katten – heb je van je leven 
Zeg Kees heb jij ooit katten in de zee gezien 

Jawel jawel maar in de bioscoop 
Maar daar helaas is alles zoveel fraaier 
Men ziet er geel – en blauwgelakte papegaaien 
Die ons doen twijfelen aan geloof en hoop 
Waarvan de beelden om en ommedraaien 
In ’t kleurenprisma van een telescoop 

Ach laten wij het houden bij de deining 
Bij deze deining die niet eeuwig is 
Maar eeuwig schijnt als een verschijning 
Van eind’ en van begin ’lijk d’ ergernis 
En herbegint en weder eindigt als de waan 
Die eind’ krijgt en begin bij komen en bij gaan 

En als wij gaan begint het – als wij komen 
Dan eindigt alles nog in wonderdromen 
Er zijn helaas geen papegaaien in de zee 
Laat ons alleen maar spelevaren 
Al op de baren 
Van zilver of verguld op snee 

Laat ons maar spelevaren in de wind 
Terwijl ze speels is als een kind 
Wijl ze wellustig als een rijpe dame 
Haar jonge minnaar zal bekwamen 
In ’t spelen van een liefdespel 
Dat welig deint op wee en wel 

En als het spel is uitgespeeld 
En alle liefde rustig wordt 
En zij zich in haar eigen stilte stort 
Zie dan haar wateren in dit waterbeeld 
Van groen tot grauw van luw tot loom 
Ondiep misschien en zeker zonder boôm 

Zie dan haar wateren in dit waterglas 
Waarin een storm zij heeft geschonken 
Haar zeilen dansen en haar lichten vonken 
Haar éne horizon die horizonnen was 
Toen men haar eeuwig noemde 
En haar aanbad en haar verdoemde 

Toen zij van ons was en de vissers 
En van de vissen de geheimen onder ons 
Want waar ligt het geluk van ons de gissers 
Dan in het gissen met een vaderons 
Of met een vloek o spiegelvlak van woede 
Als toen een storm van lust ons voor de rust behoedde 

Het was de tijd dat men zo onbezonnen 
Zijn liefje wonder de verhalen deed 
Van al die sterren en van al die zonnen 
Waarvan de glans langsheen de deining gleed 
’t Is goed zo aan uw liefje de verhalen 
Van al die wonderen te herhalen 

Het wonder van de witte zeekonijntjes 
En van de dartelblinkende sardijntjes 
Waarvan het zielig is dat men z’ in blikjes doet 
Van ’t koude bloed 
– Zij lacht u ongelovig tegen – 
Der lokkende sirenen 

En nog van zoveel zoveel meer en meer 
Het was een tijd van lieflijk liegen 
Waar op het deinen wij ons lieten wiegen 
Mee met het wiegen van een dwaas geredeneer 
Dat heenging met de vloed en met de ebbe keerde 
Tot we niets meer begeerden 

Het was de tijd van onbegonnen jeugd 
En onbezonnen wijsheid 
Van toen wij van de grijze deugd 
De deugdelijke grijsheid 
Zo maar voor ’t happen gooiden aan de kwallen 
Wij niet alleen wij allen 

Wij streelden toen een golf van blonde haren 
En strelen nu een golvend lichaam mee 
Tot het gewiegd wordt op de baren 
En stijgt en stijgt naar hoger zee 
En wegglijdt in de weke wonderheên 
En zelf wordt een sireen 

En kom en laat u lokken 
Naar d’overzijde van uw nuchterheid 
De schaduwzijde van uw veiligheid 
De warmte van haar lokken 
Zoals die vroeger was 
De trage welving van een zeegewas 

Zo is zij ons ontstaan van ieder beeld ontbonden 
Ontdaan van ieder woord dat was 
Wel blijft het beeld zo ongeschonden 
Maar broos als glas 
Want eens heeft men op ’t strand een hoorn gevonden 
Waar men in horen kon dat zij nog anders was








SEA

The sea here’s the sea 
It was born in the Year of Our Lord 
Nought more or less and nought it’s remained 
The Great Nought it’s remained 
Through all the ages faith has sustained 
In nought is nought and one plus one is two 

The sea here’s the sea 
That was born nought and nought has stayed 
But daft and meek as can be 
Nothing like the descriptions they’ve made 
The nothing that they say is infinite 
And nothing’s infinite that’s not finite 

Here’s the sea and it’s here 
Made just of salt seaweed and water clear 
Of crabs, jellyfish, prawns and plaice 
But not of mermaids and coral lace 
Perhaps – though there’s no proof – of sardines too 
And not of sharks and dolphins, that’s not true 

And dogs horses cows lions and sirens 
That’s right sirens they say with one eye bright 
In all the shades of the rainbow’s light 
And pigs – with scales like gleaming rosy irons – 
And cats – well did you ever 
Hey Kees have you ever seen cats in the sea 

Oh yes oh yes but on the silver screen 
But there alas things are all much nicer 
Yellow and blue-painted parrots we can discern 
That make our faith and hope less keen 
Whose images just turn and turn 
In the prism of a telescope seen 

Oh let’s to the swell our attention bend 
This swell that is not eternal 
But as a feature seems to have no end 
Ending and starting, annoying, infernal 
And begins and ends again, deceiving 
Ending beginning in coming and leaving 

When we go it starts – when we come it all seems 
To end in wondrous visions and dreams 
Alas there aren’t parrots in the sea 
Let’s go out in a boat 
On the waves afloat 
All gilt-edged or silvery 

In the wind let us yacht 
While it’s playful as a tot 
Since it’s like a ripe matron with senses astorm 
Who’ll teach her young lover to perform 
And play the game of love with skill 
That wallow in joy and ill 

And when the game is quite played out 
And all at rest is curled 
It dives into its silent world 
Into this waterscape see it spout 
From green to grey lukewarm to leaden heat 
Shallow perhaps no ground beneath your feet 

See it spout in this water glass 
In which it has poured a storm 
Its sails dance and its lights spark and swarm 
Its one horizon that was more than one 
It was called eternal back then 
And was worshipped and cursed by men 

When it was ours and the fishermen’s sea 
And the fishes’ the secrets most rare 
And where’s content for such guessers as we 
If not in guessing with a Lord’s Prayer 
Or with a curse o mirror surface of rage 
Like when a storm of lust kept our calm safe in its cage 

It was the time when we thoughtless ones 
Told our loves many wondrous tales 
Of all those stars and all those suns 
Whose gleam slid down the swell’s long tails 
It’s good to tell your love stories again 
Of those wonders on the main 

The wonder of the sea rabbits white 
And of the sardines all gleaming so bright 
Which it’s a shame to can and price 
Of the blood like ice 
– She smiles at you in disbelief – 
Of tempting sirens on the reef 

And of much much more and more 
What lies we would sweetly tell 
When we let ourselves rock in the swell 
Of mad reasoning more and more 
That at high tide and low came back and went 
Till all lust was spent 

It was a time of youth not begun 
Of thoughtless wisdom indeed 
When each grey-haired young one 
Tossed as jellyfish feed 
virtuous grey ones, watching them fall 
Not just we few but all 

Then we stroked a wave of blond hair 
Now we massage a body waving free 
Till it’s rocked on the waves there 
And rises and rises out to sea 
And slips into the wondrous wet environs 
And becomes one of the sirens 

And come and be lured 
Beyond your sobriety 
To the dark side of your security 
The warmth of her locks allured 
As it was once in the past 
The slow arc of a sea plant’s mast 

Thus it was born to us from every image freed 
Stripped of every word we knew 
The image though is so pure indeed 
But brittle as glass is too 
For once we found a conch on the beach before 
In which we could hear it was something more

© Translation: 2007, Paul Vincent






  

ADIEU XXIV

à Yvette 

Adieu. Dit zijn de laatste noten 
die ik gespeeld heb op mijn ribbenkast. 
Een kast, waarvan ik in de laden 
wat blanco vellen heb geborgen, 
papieren voor de dorst. 
Zij zullen met mij begraven worden, 
mishandeld en mijn slaven worden 
en adders aan mijn borst. 
Maar goed. Vandaag ben ik nog krekel, 
doch morgen ben ik mier, 
die overmorgen al zijn hekel 
– uit zijn reserves in de pekel – 
aan apropos, atoom en spirocheten 
posthuum zal zetten op papier. 
Adieu! Wie weet of ik niet zal beklijven 
door ’t schrijven van een later lied, 
of ik het schrijven zal of niet. 
Zinloos of niet. 
Levend of niet.






ADIEU XXIV

à Yvette

Adieu. These are the final notes 
I’ve tapped out on my ribs and chest. 
A chest, in whose drawers 
I’ve stored a few blank sheets, 
paper eggs for my nest. 
They will be buried with me, 
be abused, enslaved by me, 
be vipers at my breast. 
No matter. Today a cricket I trill, 
tomorrow an ant I’ll caper, 
that the day after its hate will spill 
– from its stores that brine vats fill –
of topics, atoms and spirochaetes 
posthumously onto paper. 
Adieu! Who knows if I shall endure 
through a later song or not, 
whether I’ll write it or not. 
Absurd or not. 
Alive or not.

© Translation: 2007, Paul Vincent









No hay comentarios:

Publicar un comentario en la entrada