jueves, 5 de septiembre de 2013

HUGUES C. PERNATH [10.459]



HUGUES C. PERNATH 

(Borgerhout, BÉLGICA  1931 – Antwerpen, 1975) 
Fue un escritor y poeta belga. Junto con Paul Snoek, fundó la vanguardista revista Gard Sivik, y fue miembro de los Poetas rosa.
  
Obra:

Het uur Marat (1958)
De adem ik (1960)
Het masker man (1960)
Soldatenbrieven (1961)
Hedendaags (1963)
Instrumentarium voor een winter (1963)
Mijn gegeven woord (1966)
De acht hoofdzonden (1970)
Exodus (1970)
Mijn tegenstem (1973)


  

No estoy triste

No estoy triste, no hay ternura que me cale
Ni cuerpo que sienta el mío,
Ni oído, ni confusión, ni inquietud
En la inefable plaga de la lengua.
A diario y cada vez más mortíferamente se me encoge
Mi mundo entre las ramificaciones del dolor horrendo.
A diestra y siniestra he ido llevando el libro ultimo
Y, aún con todas mis limitaciones, yo anatematizo
A todo el que se quema y se empeña en ir mintiendo.

Porque no otra cosa que la humildad,
Que el consumar el acto de la duda.
No otra cosa, digo, nos ha condicionado.
Yo hago que la luz repita las tinieblas
Y resucite la quietud sin gloria de la roca :
Mientras se filtra el tenue hilillo de aqua en las heridas
Escucha la noche desnudándose y mi corazón que se atornilla.

No me ha provocado mutación injerto alguno
Ni liberal pasado me ha embriagado; mi rescoldo ninguno
Se ha escindido en mi tanto, ni tanto se ha cumplido.
Amo, escribo y soporto la amistad :
Pero como albañil, tan libre como enmurallado.
Voy rematando el templo cuya piedra angular última
Será mi fin. Si bien, aún con la misma palabra
Que expresa todo mi amor, siga viviendo …
Al azote expuesto de esos signos solares a los que pertenezco.

Übersetzung: Translation: Francisco Carrasquer
From: Poesía contemporánea en lengua neerlandesa, Stichting Ons Erfdeel, 1995.

  
  
  
  
Tien gedichten van de eenzaamheid X - 
Ik treur niet, geen tederheid trekt mij aan

Ik treur niet, geen tederheid trekt mij aan 
Geen lichaam kan ooit het mijne voelen 
Geen ander oor mijn verwarring, mijn onrust 
In de sprakeloze plaag van de taal. 
Dagelijks en dodelijker verkrampt mijn wereld 
In de vreselijke vertakkingen van de pijn. 
Ik heb het laatste boek gedragen, van rechts naar links 
En met al mijn tekortkomingen veroordeel ik 
Wie verbrandt en wie poogt door de leugen.

Want anders niets dan de nederigheid 
Dan het voltrekken van de twijfel, 
Want anders niets heeft ons bepaald. 
Ik laat het licht de duisternis herhalen, 
Herrijzen uit de roemloze rust van de rots 
En terwijl het schrale water uit de wonden sijpelt 
Beluistert de nakende nacht mijn schroevend hart.

Geen entstof heeft mij veranderd 
Geen vrijgevig verleden mij bedwelmd. Geen smeulen. 
Zoveel werd gescheiden, zoveel kwam terecht. 
Ik bemin, ik schrijf en onderga de vriendschap 
Maar als een metselaar, vrij en ommuurd 
Voltooi ik de tempel waarvan de laatste hoeksteen 
Mijn einde zal betekenen. En met datzelfde woord 
Al mijn liefde verwoordend, leef ik verder 
In de gesel van die zonnetekens waartoe ik behoor.

De: Gedichten
Publicado en:: 2004, Atlas




  
  
Tien gedichten van de eenzaamheid II - 
Als een verwante, met niemand heb ik de hoop gemeen

Als een verwante, met niemand heb ik de hoop gemeen 
Met niemand de keuze van de liefde 
Waarmee ik eenzaam leef, waarmee ik wankel 
Bewegend maar bedwongen door het mateloze landschap 
Waarin de dood de aren leest
Ons blijft alleen de tijd en niet het vluchten 
En alles dat op de aarde beweegt, 
Ons blijft de laatste reis van twee vermoeide mensen 
Het afscheid nemen van de voldragen schoot.

Voorgoed.
Zoals iedereen het zag, zoals iedereen het hoorde 
En zoals het ook iedereen zal vergaan 
Naargelang de afstand naar de verte, de gloed 
Doorheen de schaduwspelen van mijn schaduw. 
Als een verwante versteen ik met de geur van de vrouw
En het verkrimpen van de kevers op het dodelijke mos.

Terwijl de waarheid het afgrijzen verwekt, 
Een wilde wolk wordt, en wormen willekeurig 
De eerste balk van ons huis doorboren, 
Kom ik naar je toe en betast ik jouw kleren 
Ik kus je, gebogen, gehurkt en verscheurd. 
Opnieuw worden wij ouder en kleiner 
En roekelozer in de gestage regen, 
Waarin wij de rouw dragen voor de vele voorbije banden 
Verder door de lage landen van de landerigheid.







NO M’AMOÏNE, LA NO FEBLESA M’ENCISA...

No m’amoïne, la no feblesa m’encisa 
Cap cos mai no pot sentir el meu 
Mai cap altra orella pot oir la meua confusió, el meu neguit 
al turment mut de la llengua. 
Dia rere dia i més letal reforce el meu món 
En les ramificacions horribles del dolor 
He dut el llibre darrer, de dreta a esquerra 
I amb totes les meues deficiències condemne 
El que incinera i el que tempta la mentida.

Llevat de la humilitat 
de l’execució de dubte, 
no res ens ha limitat 
Deixe repetir la foscúria 
Que s’alce d’una altra vegada del descans sense glòria de la ferida 
La nit, encertada, escolta el meu cor caragolat.

No tenir vacuna m’ha fet un altre, 
No tenir passat m’ha atabalat. No cremar. 
Tant ho he esperat, tant ho he arreglat. 
Vull, escric i resistesc l’amistat. 
Acabe el temple que la darrera pedra angular 
Significa la meua fi. I amb aquest mateix mot 
Expressant tot el meu amor, encara visc 
En l’assot dels senyals del sol als quals pertany.


Traducció de Germain Droogenbroodt i Vicent Martínez 
Trenta-tres poetes flamencs, «Acadèmia dels Nocturns», Universitat de València, 1990.

No hay comentarios:

Publicar un comentario en la entrada