jueves, 5 de septiembre de 2013

RICHARD MINNE [10.457]


Richard Minne

Julius Richard Minne (Gante, BÉLGICA 30 de noviembre 1891 - Sint-Martens-Latem, 01 de junio 1965 ) fue un poeta flamenco y prosista.
Pasó su infancia en Eeklo con sus abuelos porque su madre tenía una tienda y su padre era un vendedor ambulante. Cuando era joven volvió a Gante y estudia en el Royal Atheneum departamento de comercio y luego a la Universidad, historia del arte. Fundó, junto con Maurice Roelants la revista " 't Fonteintje "( 1921 - 1924 ).
Alrededor de un año más tarde, fue un funcionario del Ministerio de Justicia, pero tuvo que renunciar a su puesto de trabajo por motivos de salud. Se instaló sucesivamente en Bachte-Maria-Leerne como pequeño agricultor y en Waarschoot, donde fue muy infeliz. Se mudó con su esposa a Sint-Martens-Latem, donde permaneció hasta su muerte. 
Murió en Latem, donde también fue enterrado.

OBRA:

In den zoeten inval (gedichten, 1927).
Heineke Vos en zijn biograaf (novelle, 1933).
Wolfijzers en schietgeweren (gedichten, brieven en verhalen, 1942; verzameld door R. Herreman en M. Roelants).
In den zoeten inval en andere gedichten (1955).






Días pobres y ricos IV

El mundo es una flauta con miles de boquillas.
Cada cual toca su aire. En esta barahúnda
no he podido encontrar ningún sonido mío.
¿Y tú? ¿También has repicado en muchos vidrios
y te has mandado al cuerno, como yo, sin ira?

Pero caro he pagado el sonar y esperar.
Sí, he visto ya los Alpel, Flandes y la Renania.
He amado. He batido el tambor en muchas bandas.
Me he desojado en libros de antiguo buen pensar.
Y con manos y pies he buscado sin pausa.

Pero, en resumen, ¿qué ? De mi canto sólo me consuela
la musiquilla que tocaba, quedo,
de noche, en la alta berma. ¿Por el Universo ?
Ni por la eternidad : sino para hoy, aquí en la tierra.
Y así me he dado un día alegre más. Ya es mucho eso.

Übersetzung: Traducción: Francisco Carrasquer

From : Antologia de la poesia neerlandesa moderna, El Bardo, Barcelona, 1971.




De arme en de rijke dagen IV

De wereld is een fluit met zooveel duizend monden.
En elkeen blaast zijn lied. En ’t maakt een droef geluid
waarin ik niets van eigen klank heb weergevonden.
En gij? Misschien hebt ge ook getikt aan meenge ruit
en werd ge als ik weer feestelijk wandelen gezonden.

Nochtans: ik heb gedroomd, gehoopt; en ik droeg boete.
‘k Zag de Alpen, Vlaanderen en Straatsburg aan den Rijn.
Ik heb bemind. Ik sloeg de trommel in veel stoeten.
Ik pluisde in boeken die vol oude wijsheid zijn.
Ik heb gezocht, zoo ’t kan, met handen en met voeten.

En ’t slot? Ik hield daaruit als onontvreemdbaar deel
den troost van ’t eigen lied, wanneer ik stil gezeten,
des avonds, op den hoogen berm een wijsje speel,
niet voor ’t heelal en de eeuwigheid, maar slechts voor ’t heden.
Dat maakt me een blijden dag te meer. En dat is veel.

De: Verzameld werk
Publicado en:: 2006, Van Oorschot






Villegiatuur

Het is een oud hotel. Men rust er met de dieren.
En in het guldenboek, verlucht met Elzevieren,

blijft nog de roem van menig vreemdeling bewaard,
die wederkwam van oostelijke bedevaart.

Het is een oud hotel. ’s Avonds na de partij
kwamen de jagers saam, en dronken bij ’t gewei

der herten, wijl de knape’ en honden tot belooning,
ter warme schuur het voedsel vonden en de woning.

Het is een oud hotel. De trouwbreuk en de blaam,
een nacht, zochten er rust onder geleenden naam.

Een ruischhoorn is dit huis, sprak iemand,… en muziek.
En een toerist keek naar zijn buurman voor repliek.

Het is een kalme heer die wollen wanten draagt,
en in rustige waterkens op kleinvisch jaagt

en tijdverdrijf. Hij heeft geen woorden bij de vleet.
Hij denkt: ‘Die erwtjes zijn als boter.’ Zwijgt. En eet.

En hij bestelt een toemaat van verjaarden wijn.
Ik meen, lacht hij , dat elk ’t daarvoor eens kan zijn!

Het is een oud hotel. Het regent aan de ruiten.
De gasten spreken niet. Men zou de oogen wel sluiten,

de handen en den geest, en ware daar de maagd:
zacht als de lampe die men door den schemer draagt.

De voerman, die zijn paard uitspant onder de blaren,
wenscht haar den goeden dag, vertelt haar zijn ervaren

in zeven woorden. Elken noen komt hij terug,
al steekt het flerecijn hem messen in den rug.

Net als de aanhoudende notarisklerk: een heer
bijna. Hij groet de dochter en zit zwijgend neer.

Moest zijne moeder er nog zijn, zij schudde ’t hoofd:
- Romijn, ge zult een trouwer zijn, God zij geloofd…

Het is een oud hotel. Het regent aan de ruiten.
De wereld is zoo droef. Laat ons twee oogen sluiten.






Eles

Eles, as pessoas com dignidade
nesta vida, com chama interior,
andam aí dispersos sobre a terra
e trazem um chapéu inferior.

Caminham asseados, silenciosos,
rente às casas preferem deslizar
e escutam, se possível no Outuno,
os choupos todos a rumorejar.

Espaço não costumam ocupar
como o dourado nas folhas dum livro,
e se acaso o eléctrico vem cheio
o seu lugar é sempre no estribo.

Ontem levei uma pessoa dessas
à estação. Era uma noite assaz
brumosa e fria. O meu cansado amigo
tinha um bilhete de terceira classe.

(in Uma Migalha na Saia do Universo. Antologia da poesia neerlandesa 
do século vinte, trad. Fernando Venâncio)





No hay comentarios:

Publicar un comentario en la entrada