miércoles, 4 de septiembre de 2013

JOS DE HAES [10.446]



Jos De Haes

Jos De Haes (Lovaina, BÉLGICA  22 de abril 1920 - Jette 1 de marzo de 1974)  fue un  escritor y poeta flamenco.

Bibliografía 

Het andere Wezen (1942)
Píndaro. Pythische oden (1945)
Ellende van het woord (1946)
Gedaanten (1954)
Richard Minne (1956)
Reisbrieven uit Griekenland (1957)
Sophokles. Philoktetes (1959)
Azuren holte (1964)
Verzamelde gedichten (1974)
Verzamelde gedichten (1986)
Gedichten (2004)

Premios 

1955 - Arkprijs van het Vrije Woord




Genealogia

Entre las dos colinas del Brabante
se ha hecho toda la historia y consumado.
No hay piedra o grano ya significante
y mano y corazón se le han dañado.

Corazones y manos que soy y amo :
vasallos que quisieran otro feudo.
Cuánto tiempo de afán sin más provecho
que el de morir pobrete y en pecado.

Porque yo soy tu historia… Que la tierra
y yo somos lo único salvado :
dos ácidos que entrambos ya se acercan,

que irritan las papilas de mi lengua
y trasmiten el virus a mis venas,
¡oh vaqueras y beodos heredados !

Übersetzung: Traducción: Francisco Carrasquer




Genealogie

Zwischen zwei Hügeln, mitten in Brabant,
erstarrte die Geschichte zu Gestein und Erz.
Nicht ist hier ohne Sinn, kein Fels, kein Sand,
an dem sich nicht verletzte eine Hand, ein Herz.

Herzen und Hände, die ich liebe, selber bin,
Leibeigne, die nach anderen Leibern gieren,
wie lange habt ihr euch geplagt, wessen Gewinn
ließ elend und in Sünde euch krepieren?

Eure Geschichte bin jetzt ich… ich und das Land
sind alles, was verblieb zu dieser Stunde,
zwei Säuren in stets engerem Verband.

Sie reizen die Papillen mir im Munde,
impfen das Virus in die Nervenbahnen,
o Stallmägde und Säufer, meine Ahnen.

Übersetzung: Übersetzung aus dem Niederländischen von Maria Csollány

Publikation: Noordzuid/Nordsüd, Poëziecentrum, Gent, 1993.




Genealogie

Tussen twee heuvelen van Brabant in
is de geschiedenis tot grond verteerd.
Geen steen, geen korrel of hij draagt een zin,
een hand, een hart heeft zich aan hem bezeerd.

Harten, handen, die ‘k ben en die ‘k bemin,
lijfeigenen die anders lijf begeert,
hoe lang hebt gij gewroet, om wiens gewin
zijt gij in zonde en armoe gecrepeerd!

Want uw geschiedenis ben ik… De grond
en ik zijn al wat rest in deze stond,
twee zuren die elkaar benaderen.

Zij prikken de papillen in mijn mond,
zij zetten ’t virus in mijn aderen,
o stalmeiden en dronkaards, vaderen.

De: Gedichten
Publicado en:: 2004, Atlas





LE VIEUX MOULIN 

Le llevo champiñones en un lecho de tomillo.
Quiero saber cómo quiebra las láminas
–primero las láminas, después el sombrerillo de pegamento blanco
con molleja– y cómo le sabe a ella ese bocado.

Le llevo racimos de flores de tilo cogidas por los lóbulos,
ella las arranca enrollando la lengua,
cabezas verdes y amarillas entre alas de libélulas,
y mastica esa dulcamara convirtiéndola en musgo en flor.

Y yo, prisionero de su lengua, mandíbulas y dientes,
machacado por los espasmos de sus ademanes degustadores
y deglutidores, soy el manjar servido en fuente de oro
cuando entro en descomposición por sus fermentos.

Y aunque me convierta en quitina en torno suyo o en quilo
en su interior –seguramente viene en los Envagelios–,
me anido, convertido en animalillo de un día, lascivo
y lírico, entre las paredes de su más cálida celda.

Sybille, nómbrame. Encuéntrame digerido en el jugo
de todos tus tejidos, manojo de pelos y dientes.
Planta ese cáncer. O en todo caso tolérame como a una broma:
una taraza macho en tus entrañas.


Jos de Haes (extraído de Azuren holte [Cavidad azur], 1964)
© Traducción española: Diego J. Puls (en colaboración con Carmen Bartolomé Corrochano), publicada en «Poesía contemporánea en lengua neerlandesa», Stichting Ons Erfdeel, Rekkem (Bélgica), 1993.



Le vieux Moulin

“Le vieux moulin” heet in de natte berm een put.
Een laag humus geworden eikebalkenhout
geeft aan twee benden basterdwederik de fut
om erin steil te staan als bomen van een woud.

Zij ligt tussen die twee cohorten stengels in.
Zij drukt tegen hun flanken links en rechts een been
dat opgaat in de heupen van een koningen,
liggend oud goud op een gebarsten molensteen.

Van boven af gezien tussen twee vlekken paars
liggend het gouden vlees van een sibylle Gods
in een Myceense schacht, maar gekmakend barbaars
ook, met haar masker rustend op de schilfers rots

uit bressen van de Ardenner molenkeldermuur.
De stilte wordt verdikt wanneer dat masker breekt,
de hal van de rivierklooflucht wordt rust en duur
als de geklemde kaak loslaat en woorden spreekt:

“Al wat gij goud wil noemen is misschien maar brons.
Ik zie op mijn niveau de wortels in de grond
en grijze zwammen van gelijmd nachtvlinderdons,
en mieren langs mijn hand dragen hun larven rond.”



No hay comentarios:

Publicar un comentario en la entrada